Col du VAM: niet meer gevaarlijk

Alweer een nieuwe column, nu van Paula, over de Col du VAM en waarom die, soms, gevaarlijk is, of kan zijn.

.

.

Het is bijna een jaar geleden dat ik voor het eerst met mijn fiets de Col du VAM beklom. Met mijn zwaarste fiets nota bene, want mijn racefiets was te vies om aan te pakken en het zadel van mijn mountainbike was zoek.

Mijn autoped leek me wat minder geschikt, ik schreef er vorig jaar oktober al over. Maar nu ligt er een prachtig mountainbikeparcours. Met mijn maandagmorgenwandelmaatjes had ik al menigmaal een deel van het parcours gelopen en in mijn eentje ook de delen wat verder weg. En toen begon het te jeuken: ik wil weer fietsen, mountainbiken. Bij hem jeukte het iets minder, maar toch ook.

Dus nu hebben wij twee gloednieuwe mountainbikes in de schuur staan.

Met nieuwe helmen. En nieuwe fietsbroeken, met zo’n heerlijk zacht kruis. Vroeger was dat van zeemleer dat knoeperdhard werd, nu is het veel fijner, en mooi roze. Tenminste die van mij. En alleen aan de binnenkant van de broek, dus alleen voor mijn ogen bestemd. Als je erin loopt denk je dat je een luier draagt (tenminste ik denk dat dat zo voelt) maar als je erin fietst is het uitermate prettig, die zachte roze bobbels tussen mijzelf en het smalle zadeltje (ik snap trouwens niet waarom die zadels altijd zo smal moeten zijn, mijn gewone fiets heeft een heerlijk breed zacht zadel waar ik gewoon in normale kleren op kan zitten; maar goed dat is een andere discussie)

Terug naar mijn mountainbike en het parcours dat er zo uitnodigend bij ligt met grote en kleine afgeronde bochten, mooie heuveltjes en diepe dalletjes, kuilen en vlonders van één tot wel honderd meter lang, tussen bomen, brandnetels, schapen en riet door, vlak langs en zelfs over het water. En dan tot slot natuurlijk de bult op.

Zolang de mountainbikepaden op de bult nog niet klaar zijn neem ik die mooie, strakgladde, brede geasfalteerde wegen naar boven en dan die ene steile, mooie afdaling, overzichtelijk en prachtig glad. Naar beneden. Met ware doodsverachting. Zo snel mogelijk, liefst zonder te remmen natuurlijk.

En dan ineens zijn ze daar. Vier mannen op vier fietsen. In strakke pakjes, maar zelf niet meer zo gestroomlijnd. Bijna onderaan mijn afdaling. Ze staan stil. Nog net op een van de mountainbike paadjes die daar, onderaan, mijn weg kruist. Daar waar ik op volle snelheid op afstorm. Zien ze mij of zien ze mij niet? Ze gaan toch niet oversteken of hier naar boven? Denk ik terwijl ik met meer dan 50 naar beneden schiet. Nee toch? Ja hoor. Eentje peddelt met zijn fiets mijn weg op. Ziet mij niet. Ik roep. Hé, kijk uit! Aan de kant! Hij stopt, op mijn weg. Maar een ander, nog iets meer doof, gaat hem voorbij verder de weg op. Ik roep nog harder, uit alle macht, of mijn leven er vanaf hangt (en dat doet het misschien ook wel): Hééé!!! Handen aan de remmen. In hoogste staat van paraatheid. Hij gaat ook terug. Bij het voorbijrazen roep ik dat ze hier niet omhoog mogen. En ik race verder.

Thuis vraag ik me af welke onnozelaar het verzint om onder aan een afdaling van 13% een oversteek te maken. Doe dat bovenaan of alleen op de stukken waar mensen omhoog fietsen, dat gaat lekker traag. Maar toch niet onderaan zo’n heerlijk snelle afdaling? Malloot, denk ik nog.
En ik ga toch maar een bel kopen, een hele luide. Dit overkomt me niet nog een keer.

Paula (klik hier voor de reactie van de provincie op bovenstaand verhaal)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *